From the monthly archives: August 2005

N.B: het langverwachte Lowlandsstukje staat onder dit stukje.

Het zat eraan te komen: de gevaarlijke combinatie ietwat suffige slaapkamer + toegang tot een computer met laserprinter heeft dit weekeinde een kritiek niveau bereikt, en ik had dan ook uiteindelijk geen andere keuze dan helemaal los te gaan met de Rasterbator (wikipedia).

Nu wordt mijn muur gesierd door een pointillistische rendering van Manhattan zoals gezien vanaf de Brooklyn Bridge. In trouwe recursieve metastijl heb ik het eindproduct weer gefotografeerd en dat ziet u, lieve lezer, dan ook hierboven, tegen mooi blauw strijklicht van de ondergaande Haagse zon.

Een detail van het Empire State:

En aan de andere muur hangt nog een wat grover gesneden impressie van het Haagse Stationskwartier. De oorspronkelijke foto is niet bewerkt: de digitale camera waarmee ik deze foto nam heeft de eigenschap de geometrie van een bewogen genomen foto te verstoren (omdat het beeld niet ineens maar lijn voor lijn wordt opgebouwd), waardoor de Hoftoren naar rechts lijkt over te hellen. (Als je dit met een “analoge” camera (film) probeert, overigens, is het resultaat gewoon vaag, uit focus).

Laat ik u, lieve lezer, tenslotte de oorspronkelijke foto’s niet onthouden, tot aanvaardbaar formaat opklikbaar en wel:

Als uitsmijter lijken mij nog wat postmoderne kunstmanifesto-soundbites gepast: Anything can be art, everywhere is a stage gallery, enzo. Dan weet u dat.

Tagged with:
 

Geweldig artikel in Harvard Magazine: alles wat je wilt weten (en niet meer dan dat) over slaap.

 

Google Talk: Believe the hype, download die shit en spreek je daar.

 
Lever je afval in, stond er natuurlijk
foto door gnfti – dank aan olaf

Lowlands 2005 zit erop. Ik bezocht het paradijs in de Flevopolder voor de tiende keer en had zodoende een überfeestje te vieren, het weer was onwaarschijnlijk perfect, de bands magistraal en die onevenaarbare Lowlands-sfeer overal aanwezig. Waar te beginnen? Met het zand nog in het haar en de piep nog in de oren breng ik u dit verslag met een brede glimlach en een gezonde dosis slaapgebrek. –> Lees verder…

Ongeacht mijn met modder, zweet en tranen verworven status als Lowlands-veteraan, dit jaar bevestigd met een tiende bandje rond de pols, heeft het tot nu toe niet bepaald briljante Lowlands-stukjes geregend hier op GNFTI (2003, 2004). Laat ik het dit jaar goedmaken met een stream-of-consciousness verslag van wat er in mijn hoofd zit, nu ik nog in de vibe zit. Morgen is alles anders. Bel me niet wakker.

Na een traditionele donderdag van treinen, halve meters opschuiven in de rij, zooi sjouwen en tenslotte eindelijk het welverdiende Eerste Lowlandsbiertje © ter ere van het vers opgezette kamp brak al snel de Vrijdag aan: dat goddelijk brak ontwaken in je nieuwe tijdelijke thuis, dat wachten in de rij zonder mokken om die eerste frisse stappen op een nog maagdelijk festivalterrein te mogen zetten, dat plezant domme gehuppel van tent naar tent, het terrein verkennend; vertrouwd gebied inmiddels, maar waar is de India nu weer neergeplempt? En wat de fuck is de Lima?

——————-

Juliet. Theatertent. In strijd met de staande traditie om gewoon het eerste bandje op vrijdagmiddag in de Alpha te gaan zien waren de eerste noten van Lowlands ditmaal de eerste woorden van Lowlands; door een bizarre speling van het lot was het namelijk ex-premier Ruud Lubbers die het spits mocht afbijten van de reeks “colleges” van Lowlands University. Camera’s overal dus, zelfs de wat onwennig ogende delegatie van Talpa liet haar lens over onze brakke beeltenissen glijden terwijl we wachtten om de tent in te kunnen.

Ook binnen was het mediacircus in volle gang: ergens middenin de lezing klapte een cameraman ineens zijn lamp aan in het gezicht van mijn bij het gangpad zittende vriend-met-hanekam (iedereen hoort één zo’n vriend te hebben). Je hoort de voice-over in je hoofd al: “bezoekers van velerlei pluimage…”

De populariteit van Lowlands University, overigens, oversteeg de verwachtingen van zowel bezoeker als organisatie: bij vrijwel elk college zat de tent bomvol. En riep het publiek bij deze eerste zitting nog in luidruchtige Lowlands-stijl om de komst van “Ruudje! Ruudje!”, na het wegsterven van het oorverdovend applaus was de aandacht voor de man, en alleen voor de man. Ruudje bewees zich geen rockster te zijn – van enig aanpassen aan je publiek kan ik de man niet verdenken – maar dankzij autobio-anekdotes uit de losse pols en ondanks veelvuldig gebruik van termen in wrangkomisch gebrekkig Engels wist de vermeende billenknijper ons toch (terecht!) het Handvest voor de Aarde aan te smeren.

Enkele verlegen druppels uit de hemel dreven mij naar de Americano Food Market voor een werkelijk overheerlijk broodje tempeh en groenten van de Surinamer. Maandag zou blijken dat dit, in de woorden van mijn goede vriend O., “het ongemakkelijkste weermoment van het weekend” was. De soundtrack bij de lunch werd geleverd door Racoon: ze waren geboekt als invalsact maar werden onthaald als headliners. Het publiek in de India-tent zong ieder woord mee van de songs van Neerlands trots, de vrolijke Zeeuwen. Met de laatste hap kwam het laatste nummer (tevens mijn favoriet), en ik rende dan nog even tegen de tent aan – zo druk was het – om mijn stem te lenen aan het duizendkoppig koor dat Blue Days zong. Want: “Without dreams there’s nothing left at all“, en vergeet dat in vredesnaam niet, lieve lezer.

‘s Avonds werd ik meegesleurd naar een artiest die naar de onfortuinlijke naam Bonnie “Prince” Billy luistert: mijn slecht ontvangen grap dat een tiara-dragende man op een pony het podium op zou rijden leek me dan ook volkomen terecht. Het bleek echter veel erger. Will Oldham (zoals zijn moeder hem noemt, verstandig als zij is) is een verschijning die ik enkel kan omschrijven als het type “badmeester meets enge man in steeg”, die zonder enig spoor van schaamte optreedt in een door God-weet-wie afgeknipte spijkerbroek en sandalen van het merk Nike Air Jesus Christ. En dan hebben we het nog niet over de Hulk Hogan-snor en het voorhoofd dat ogenschijnlijk poogt ergens diep in de nek zijn permanente thuis te vinden.

Maar de muziek! Never judge a book by its cover dan maar, want de broeierige, minzame Americana van Oldham roept levendige beelden op van een slang in het gras net buiten de veranda, of van zuurgeworden liefde. Kaal, hard en een tikje eng, maar dat hoort zo, schijnt. Als de badmeester het zegt.

——————-

Eénieder die mij kent weet dat ik erg gehecht ben aan mijn slaap, en ik kan dan ook tevreden melden dat de combinatie oordopjes + oversized hoofdetelefoon met rustig voortkabbelende muziek (yay for Broken Social Scene!) nog altijd werkt. Met een acceptabele kater begaf ik mij dan ook naar het eerste optreden van die dag, ook wel het “koffieconcert” genoemd: 2nd Place Driver. De koffie was prima, en daar zou ik het eigenlijk bij moeten laten: buiten de eerste single Leave, dat nummer met dat sterke refrein, kwam de niets-aan-de-handmuziek van de Nederlandse groep vooral over alsof ik op een miezerige maandagochtend per ongeluk hun oefenruimte was binnengestrompeld. En ik maar denken dat ik de kater had. Ter promotie een paar honderd cd’tjes het publiek in sodemieteren helpt daar niet bij: wanhoop is nooit sexy.

Na teleurstellend gitaarkabaal lag de redding dan ook waar zij dan eigenlijk altijd ligt: in de hiphop. Niet in de vette maar voorspelbaar geöliede machine die Brainpower heet: Gert-Jan is nog altijd de beste zo niet toch de meest zichtbare rapper in de polder, maar met een ul
trastrakke band vol topmuzikanten en een nonchalant flowende superster-MC tóch overkomen als een videoclip op het podium is een prestatie op zich, zal ik maar zeggen.

Neen, in ware Lord of the Rings-stijl kwamen de redders uit onverwachte hoek: drie stonede pubers uit Amsterdam-Noord. De hiphophobbits van De Jeugd van Tegenwoordig leverden af, en hoe: met een goede dosis zelfspot die de hiphop zo nodig heeft kondigden Willy Wartaal, P. Dronq en Vieze Freddy zichzelf aan als “de ééndagsvlieg van 2005… maar we vliegen recht in je bek!”, en daar was geen gelogen woord bij. Bliepjesgenie Bastian, a.k.a. De Neger Des Heils deed zijn ding achter de toetsen en tegen zijn smaakvolle electrofunk vertelden de twee blanke jochies en een komisch dikke neger over, wel, minder smaakvolle zaken; een heel nummer gewijd aan de kunst van de fellatio, Doe de Stofzuiger, lijkt wat veel over het goede, maar GNFTI is dan ook blijkbaar preuts en ouderwets en bovendien geen hiphop-adept, en één en ander wordt met humor gebracht en tenminste minder cryptisch dan het door elfjarigen wereldwijd meegeplaybackte Candy Shop van 50 Cent.

Volledig in stijl leidde de Jeugd hun grote culthit (waarvoor iedereen toch was gekomen) in als hun “carnavalskraker”, en trakteerde zij ons als toetje nog op wat (live gedrumde!) gabberrock, waarbij Vieze Freddy met ontbloot en bezweet bovenlijf maar even de pit in klom, drifitig tegen mij en vele anderen opboksend. Ik heb het DNA van Vieze Fur op mijn lichaam gehad, mensen. Dan weet u dat.

Zoals iedereen weet, trouwens, is de redding buiten geweldig flauwe electro-hop-in-je-moerstaal ook altijd te vinden in punkrock. De vroege avond bracht dan ook een feestje van punkdinosauriërs Bad Religion. Ten overstaan van die gigantische Alpha speelden zij een weloverwogen bloemlezing uit hun repertoire dat teruggaat tot 1980. Ik ben fan van Bad Religion, laat dat gezegd zijn, al is het maar omdat ze de keiharde waarheid weten te condenseren tot een punkrocksong van 2 minuten of minder; en de grootvaders van de Amerikaanse punk onder leiding van afgestudeerd bioloog Greg Graffin leverde dan ook waar het publiek voor kwam: een stevig robbertje hoe-gaat-het-eigenlijk-met-de-wereld-punk, maar niet meer dan dat. Na het horen van één de beste punksongs ooit, American Jesus, was het dan ook rennen naar de Grolsch-tent voor wat het beste concert van Lowlands 2005 bleek: The Arcade Fire.

Those who know cannot explain, those who don’t know would never believe. Dat gaat op voor deze onwaarschijnlijke ploeg uit Canada rond het echtpaar Win Butler / Régine Chassagne (Guardian, Pitchfork), wier muziek werkelijk met niets te vergelijken valt. In mijn best gevonden woorden is het een briljante mix van indie rock met diepdonkerbruine volksmuziek: het negenkoppige collectief wisselt graag van instrumentarium en naast de gebruikelijke gitaar-bas-drums zijn viool, accordeon en xylofoon centraal onderdeel van het arsenaal. Als was het een reizend varieté-gezelschap uit een Noord-Amerika van lang geleden gaan de leden van the Arcade Fire gekleed in driedelig pak dan wel baljurk. Als kers op de taart is daar de de onbedwingbare trommelaar die ergens in een hoek van het podium achtste noten slaat op wat er ook in de buurt is: meestal een trommel of afgeragd bekken, maar tijdens het hoogtepunt van het concert klom hij roekeloos tientallen meters in de linker podiumtruss om, daar aangekomen, onder luid gejuich van het publiek vrolijk vanuit de nok van de tent op het metaal van de truss
zelf te slaan. Ma-gi-straal.

——————-

De zondag leent zich uitermate goed voor uitslapen, maar het koffieconcert van de dag zorgde wel dat je wakker werd: de all-star cast van de Nederlandse hiphop Buiten Westen rockte de Bravo zo hard dat ik mijn cappuccino liet staan om mee te bouncen op de trots van de apenrots, het Rotterdamse Duvel. Meteen na dit hiphopfeestje was het echter tijd om over te steken naar de buren om een bandje te zien waar ik nooit van gehoord had. Het zoveelste overgehypte Britse bandje, zo dacht ik: “Interpol maar dan uit Birmingham“, hoorde ik iemand zeggen. De tent was dan ook gevuld met wat ik noem één-meter-afstandpubliek: “we hebben gehoord dat het cool is“, hoor je ze denken, “maar achterin de tent is het best goed te horen hoor, niet dringen“.

Mijn scepsis bleek volkomen misplaatst. The Editors is officieel mijn Grote Ontdekking van Lowlands 2005. Wat een muziek! Wat een sympathieke gasten! Door een kleine logistieke ramp stonden de bandleden hier in de India-tent, terwijl hun gitaren nog in Engeland lagen. Een aantal andere aanwezige bands was zo collegiaal om ze hun spullen te lenen, en zanger/gitarist Tom Smith verontschuldige zich telkenmale voor de vertraging terwijl hij zich stukje bij beetje bekend maakte met een vreemde gitaar die eigenlijk aan Voicst of Sons & Daughters of wie dan ook toebehoorde. Smith: “You’d think that a guitar was just a guitar.

Alsof dat nodig was. Hun op de leest van Joy Division en The Smiths geschoeide gitaarrock bracht mij herhaaldelijk gevaarlijk dicht bij tranen, en als iemand zó begeistert vijftien keer “all sparks will burn out” in de microfoon schreeuwt geloof je hem ook, en moet je de zestiende keer wel meeschreeuwen. Dit is waar rock & roll voor bedoeld is, en of het nu op zus of zo lijkt is voer voor critici, maar uiteindelijk volkomen irrelevant. Laat niemand je iets anders proberen wijs te maken.

Nog een meegesleurd-door-iemand-show, maar niet één waar ik ook in meegesleurd werd: Patrick Wolf. Bewapend met slechts een vleugel, een hele kleine ukelele, een nog kleinere ukulele (het kan blijkbaar) en een drummer wist de mooie hippiejongen in de voor Lowlandsbegrippen intieme Juliet vele meisjes auditief te versieren, en GNFTI staat voor veel open, maar bij Wolfs meanderende vrije-middag-op-het-conservatorium-liedjes kreeg ik opmerkelijk weinig warme gevoelens.

Over de Juliet gesproken, iedere doorgewinterde Lowlander weet dat je daarvoor in de rij moet staan (en je handjes omhoog moet houden bij het naar binnen gaan), drie kwartier of liefst drie weken van tevoren. Het hoogtepunt van mijn Patric
k Wolf-ervaring was dan ook dat ik uw en onze vaste reageur Michiel tegenkwam en een biertje mocht geven in de rij; ik hoop dat hij meer plezier beleefde aan de vage tonen van de elfjesmeneer, hetgeen hij u, lieve lezer, ongetwijfeld hieronder zal laten weten. Mijn recensie in drie woorden: Peter Pan Unplugged.

Met dat debâcle vers in het geheugen maakte ik even later een split second-beslissing: Heather Nova zou even later in de Grolsch spelen, maar ja, die had ik al gezien, u kent het argument, en ineens had ik het: neen, ik zal Dolf zien! En met de soundtrack van een op het buitenpodium spelend Voicst op de achtergrond (die in hun laatste nummer trouwens handig vooruitverwezen naar die bekende culthit van LCD Soundsystem, dat later die avond zou optreden) besloot ik toch een poging te wagen, en warempel, ik wist me toch als één van de laatsten de tent in te wringen.

Gelukkig maar. Optredens van cabaretiers worden door menig Lowlander systematisch vermeden onder het argument “die kan ik toch ook gewoon in het theater zien“, en mijns inziens niet geheel onterecht. Ik spaar dan ook geen moeite om iedereen die het maar horen wil e.v.a. op obsessieve wijze uit te leggen dat Dolf Jansen hierin echt een uitzondering is: hij komt al net zo lang in Biddinghuizen als ik, en beschouwt Lowlands als een must (hij kwam dit keer speciaal terug van vakantie om te spelen) en als de start van zijn seizoen.

Daarmee zijn zijn optredens in de Flevopolder een soort van try-out, maar vooral veel meer dan dat: eigenlijk praat hij gewoon tegen je, Lowlander tegen Lowlander, vertelt een anekdote, vraagt wat aan het publiek, leest één of twee vers gepende gedichtjes voor en maakt (als het echt moet) hier en daar een verdwaalde grap. Dat maakt het optreden van Dolf een soort vrolijke Lowlands-processie: zijn nonchalante verhaaltjes over wat hij gezien heeft op het festival (hoe gaaf het is dat mensen hun lege bekertjes aan anderen geven zodat ze een gratis biertje kunnen halen, hoe het is om Marilyn Manson voor te laten gaan bij de backstage-douches – en of hij de dames of de heren zou nemen, want “ja, het is toch Satan“) creëren een heerlijk ik-was-erbij-gevoel bij het publiek dat bij het verlaten van de tent een langdurige glimlach op je gezicht achterlaat.

(Mijn Dolf-zien-op-Lowlands-verslaving, overigens, begon in 2001 toen ik puur om meteorologische redenen de theatertent in vluchtte en Dolf op onnavolgbare wijze over hét Lowlandsmoment van dat jaar zag vertellen : I Am Kloot speelde even eerder in de India tijdens die vreselijke bui, en terwijl de band Storm Warning speelde sloeg de bliksem in. De weergoden hebben een vreemde relatie met dit festival, zeg ik u.)

Met de ultrahippe cultband-van-het-jaar-punkfunk van LCD Soundsystem dan wel de goddelijke-stem-zingt-tot-u-vanuit-het-donker van Nick Cave in het vooruitzicht was er op deze Lowlandszondag eigenlijk maar één keus: even chillen, wat kracht en moed verzamelen, en dan toch maar kansloos hard rocken bij publieksfavorieten Foo Fighters. Ik weet zeker dat ik hiermee twee fantastische optredens heb gemist, maar de Foos leverden af waarvoor we kwamen: uitstekend rauwe doch doordachte Amerikaanse stadionrock. Na een uur lang als sardines samengeperst in het voorvak doorgebracht te hebben wrong ik na dit laatse Lowlands-optreden dan ook tevreden mijn doorweekte shirt uit, op weg naar de camping voor een droger exemplaar. Wat restte was die vertrouwde laatste, dronken Lowlandszondagavond – gelijke delen uitbundigheid (want alles moet op) en triestheid (want alles is bijna op).

Onder de raket wortel gooiden O. en ik in onze decadentie nog wat Lowlandsmuntjes naar argeloze (maar hebberige!) voorbijgangers, ik ging naarstig op zoek naar de dorpsgek-annex-karikaturist, maar het mocht allemaal niet baten, de werkelijkheid lag steeds op de loer. De volgende ochtend nog een potje Urban Cricket gespeeld met wat tentstokken en losliggende campingbenodigdheden (tomaten, ontbijtkoek), en dat was het dan. Wij kwamen met 54.000, en zagen dat het goed was. Terug naar die vervelend echte Echte Wereld.

dank: lennert jeroen olaf niek marloes karin maaike. vergeten zal ik niet.


“Diverse clowns”. Want, weet je, er zijn zovéél soorten clowns.

 

Om de één of andere reden vind ik dit een heel Nederlandse foto.

O, en: take this, Gryts. Heh.

Tagged with:
 

Jee! Discovery is veilig thuis. Gelukkig maar, en laat ik ter viering een minder vrolijk document met u delen. Toen 36 jaar geleden President Nixon een gezellig babbeltje maakte met Neil Armstrong die op dat moment voor z’n werk op de maan zat, lag er in het Witte Huis een noodmemo klaar, die de President zou voorlezen als het om wat voor reden dan ook onmogelijk zou blijken voor de helden om terug te keren naar de Aarde. Na het informeren van de (dan nog toekomstige) weduwen zou Nixon, die oude boef, de honderden miljoenen wereldburgers die op dat moment aan de buis gekluisterd zaten meedelen:

Fate has ordained that the men who went to the moon to explore in peace will stay on the moon to rest in peace. These brave men, Neil Armstrong and Edwin Aldrin, know that there is no hope for their recovery. But they also know that there is hope for mankind in their sacrifice. These two men are laying down their lives in mankind’s most noble goal: the search for truth and understanding. [...] In their exploration, they stirred the people of the world to feel as one; in their sacrifice, they bind more tightly the brotherhood of man.

In ancient days, men looked at stars and saw their heroes in the constellations. In modern times, we do much the same, but our heroes are epic men of flesh and blood. Others will follow, and surely find their way home. Man’s search will not be denied. But these men were the first, and they will remain the foremost in our hearts. For every human being who looks up at the moon in the nights to come will know that there is some corner of another world that is forever mankind.

De tekst, die nu handen is van de National Archives, is overigens van de hand van William Safire, ook bekend van zijn vele bijdragen aan de wekelijkse taalrubriek in New York Times Magazine.

tevens gepost op Metafilter

Tagged with:
 

Ik heb een mini-podcast gemaakt voor Metafilter. Hoppa (1,8 MB MP3). Het is duidelijk aaneen geknipt, maar is dan ook eigenlijk maar een voorbeeld, dus dat deert niet. Meer info hier.

 

E-cards, ze bestaan nog, en hoe.